zondag 27 november 2011

Eten en drinken als ingrediënten voor samenhorigheid

Mijn vriend ‘thesist’ sinds een aantal maanden op Imec, een onderzoekscentrum dat gespecialiseerd is op vlak van nano-elektronica. Aangezien Imec samenwerkt met meer dan 100 universiteiten en onderzoekscentra van over heel de wereld, zijn de meeste van zijn collega’s afkomstig uit het buitenland en vinden de conversaties er voornamelijk in het Engels plaats. Gisteravond werd ik bij één van zijn collega’s uit Armenië uitgenodigd ter ere van haar verjaardag. Aangezien ik er niemand zou kennen, wist ik niet goed aan wat ik ervan moest verwachten. Zou ik met deze mensen wel in gesprek kunnen gaan? Of zou de taalbarrière me parten spelen? 

Eenmaal daar aangekomen bleken wij niet de enige genodigden te zijn. Er was nog een onderzoekster uit India, een Zweedse masterstudente van Armeense origine die op Erasmus is in België, een Masterstudent uit Armenië en een onderzoeker uit Frankrijk. Ondanks het feit dat we ons moesten behelpen met – voor de een al wat gebrekkiger dan voor de ander – Engels, vonden er doorheen de avond uitvoerige gesprekken plaats, gaande van de genocide in Armenië, over muziekgroepen, streekgerechten, sociale zekerheid in Zweden en België, tot de zwangerschap van de Indische vrouw. Tijdens de gesprekken konden we genieten van een typisch (en overvloedige) Armeense maaltijd en werden er nog kosten noch moeite gespaard om ons iets te drinken aan te bieden. 

Er werd heel wat afgelachen en ik voelde me op geen enkel moment ongemakkelijk. Het viel me op hoe ik me plots heel erg verbonden voelde met deze mensen, ondanks het feit dat ik ze nooit eerder had ontmoet en dat hun moedertaal me volledig onbekend was. Hoe viel dat te verklaren? Er werd niet overvloedig gedronken, dus aan de wijn kon het al niet liggen. Had het misschien iets te maken met het ‘samen tafelen’? Het doel van mijn ontwerp in Genk is een verbondenheid tot stand brengen tussen mensen van verschillende origine en met verschillende interesses. Indien dit tafelen een rol speelde gisteravond, misschien moet ik hier dan ook op gaan inzetten in Genk?

Via internet stuitte ik op de column ‘Aan tafel kinderen’ van Jan Albert Hootsen die heel mooi de link tussen het ‘samen-eten’ en het gevoel van solidariteit omschrijft.  Hij beschrijft het tafelgebeuren op een prachtige manier: “Het is dat samen eten. Die onderlinge verbondenheid van de eters, het besef dat je samen aan tafel zit vanwege een bijzondere band. Samen eten is veel intiemer dan we soms misschien denken. Samen eten is veel meer dan liflafjes proeven of je honger schrokkend stillen. Samen eten is een sussend ritueel, waar zelfs de diepste geschillen worden gekalmeerd door een plotselinge, wonderlijke solidariteit.” 

Het verhaal van Hootsen doet me denken aan ‘The Cosmopolitical Proposal’ van Isabelle Stengers. Blijkbaar werkt de tafel als een soort van idioot die ons doet vertragen en die op die manier een ruimte voor aarzeling inlast. De tafel dwingt ons ertoe om ons open te stellen voor anderen, om verder te kijken dan datgene wat we op het eerste gezicht verwachten. Het maakt ons mogelijk om naar het verhaal van de andere te luisteren, om barrières te doorbreken en om onze eigen vooronderstellingen aan de kant te schuiven. Zo herinnerden de Armeniërs ons bijvoorbeeld aan de vele kansen die België ons biedt op vlak van leven en studeren, kansen waar we zelf al lang niet meer bij stilstaan. Samen tafelen  als nieuwe boodschap van solidariteit? 

[http://www.nieuwwij.nl/index.php?pageID=13&messageID=1747]

vrijdag 25 november 2011

Verwarring [systeemtheorie]

Al te vaak wordt het werken in groepen als evidentie aangenomen. Maar is het eigenlijk wel mogelijk om met groepen te werken? Dit trachtte Luc van den Berge ons op donderdag 24 november bij te brengen in een seminarie over ‘participatie, onderzoek en werken in groep’. Meerbepaald probeerde hij gedurende drie uur onze automatismen in het werken met groepen op te schorten om vervolgens handvaten aan te reiken voor de praktijk. Aangezien mijn ontwerp in Genk niet los zal staan van bepaalde groepen mensen, schrijf ik hier enkele kernimpressies van dit seminarie neer, in de hoop dat deze me van nut kunnen zijn bij mijn verdere ontwerp.   

In het denken over groepen moet de systeemtheorie steeds in het achterhoofd gehouden worden. Deze theorie gaat er van uit dat de mens pas begrepen kan worden binnen de context van zijn relaties. Mensen hebben immers geen vaststaand karakter, maar gaan zich in een andere context telkens anders gaan gedragen. “Mensen hebben een groot gedragsrepertoire en schakelen steeds per situatie over op ander gedrag. Ze zijn anders op het werk dan thuis, anders bij hun moeder dan bij hun schoonmoeder en ook weer anders bij hun sportclub dan met hun kinderen. Mensen zijn dus erg contextgevoelig.”  [www.systeemtheorie.nl]

Het systeemdenken maakt het mogelijk om op verschillende niveaus een ingang te vinden: het suprasysteem, het systeem en het subsysteem. Bij het spreken over groepen vindt er echter vaak een verwarring plaats tussen deze verschillende niveaus. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak: “Dit team wil geen verandering”. De wil, die hier beschouwd wordt als een eigenschap van het systeem, moet eigenlijk gezien worden als een persoonseigenschap, en dus als onderdeel van het subsysteem. Een team – als abstractie – heeft immers nooit een wil, is nooit aanspreekbaar. De verwarring van niveaus leidt er dan ook toe dat de bestaande problemen binnen het team niet opgelost geraken.

Een tweede mogelijke verwarring vinden we terug in de volgende uitspraak: “Dit meisje pest de anderen (ze is een pestkop)”. Deze zin heeft geen oog voor het systeemniveau, maar focust zich louter op het individu [subsysteem]. Eigenlijk zou men moeten zeggen: “dit systeem zit zo en zo en zo in elkaar, waardoor telkens weer hetzelfde kind pest”. Pesten wordt vaak beschouwd als een individueel kenmerk, maar wat gebeurt er verder nog binnen de context? Wat is de invloed van de groep(sdruk)? Uit een dergelijke analyse kan blijken dat het systeem geen ruimte laat voor het subsysteem. In dat geval moet het systeem aangesproken worden.

Ten derde is het belangrijk op te merken dat een groep meer is dan de fysiek aanwezige mensen. In elke groep spelen anderen een rol. Denk maar aan de regeringsonderhandelingen die vastlopen omwille van de vele invloeden van buitenaf (vb. de vakbonden). Of een instelling voor jonge druggebruikers waaraan gevraagd wordt: “Met wie gebruik je”?. Heel vaak zal deze vraag onbeantwoord blijven. Dit heeft niets met motivatie te zien, maar wel met het feit dat deze jongeren vaak tot bepaalde scènes behoren. Eén van de regels van zo’n scène is dat je niet blootgeeft met wie je gebruikt. In een setting heb je bijgevolg vaak veel meer individuen dan je zou denken.

Tot slot heb je binnen een systeem vaak systeemregels of omgangsvormen. Dit zijn impliciete, onuitgesproken regels/gewoonten die onzichtbaar zijn voor wie niet tot het systeem behoort. Ze bieden voorspelbaarheid, maar verhinderen ook soms verandering. Zo wees Luc ons er bijvoorbeeld op dat we na de pauze terug op onze zelfde plaats gingen zitten. Blijkbaar is dit binnen het systeem van onze klas een onuitgesproken gewoonte. Het kan niet anders dan dat deze systeemregels ook terug te vinden zijn in Genk. Mensen zijn nu eenmaal gewoontedieren. Indien ik dus enige verandering zal willen teweegbrengen via mijn ontwerp, zal ik dit in mijn achterhoofd moeten houden.  

maandag 21 november 2011

Samenhuizen = HOT! [deel 2]

2.  Waarom?
In een studie van de vzw Samenhuizen geven Jonckheere en zijn collega’s (2010) een overzicht van de voordelen waar mensen die gemeenschappelijk wonen van profiteren. De voornaamste reden om te gaan samenhuizen is van economische aard. Samenwoners profiteren immers van een aantal schaalvoordelen: ieder huishouden vereist een basis aan infrastructuur, ongeacht het aantal inwoners. Bovendien ligt de huurprijs tot 38% lager dan wanneer je op je eentje huurt [onderzoek OIVO]. Opmerkelijk is dat zij die doorgaans niet kapitaalkrachtig zijn (studenten & jongwerkenden) en zij die nog niet meteen van plan zijn zich te settelen aan gedeeld huren doen.

De toenemende belangstelling voor samenhuizen kunnen we bovendien wijten aan de gezelligheid, de samenhorigheid, het contact, de solidariteit en de steun die je in deze woonvormen gemakkelijk kan vinden.  Twee op de vijf uit de OIVO-studie geeft aan dat het ook een aangename manier is om nieuwe mensen te leren kennen en interesses te delen. Eén op drie prijst de originaliteit van de levenswijze, die ze aantrekkelijk noemen.

Een derde motivatie voor samenhuizen heeft te maken met de lagere tijdsdruk die ontstaat als gevolg van een efficiënte verdeling van de taken binnen de woonvorm. Wie gemeenschappelijk woont, kan een beurtrol voor het koken inlassen of kan rekenen op kinderopvang door de anderen.Bovendien brengt ieder zijn kennis en vaardigheden mee die gedeeld worden met de  medebewoners. Ook ecologisch is samenwonen voordeliger dankzij een efficiënter energiegebruik. Voor de woningmarkt betekent samenwonen dat er minder behoefte is aan (veel ruimte voor) woningen.


BRONNEN:
http://www.oivo-crioc.org/files/nl/5301nl.pdf

“First we shape our buildings, then they shape us” [Churchill]

Architectuur speelt een grote rol in het ontwikkelen van de sociale relaties tussen de bewoners. Vooral bij groepswonen is het ontwerp van de architect van uitermate belang, aangezien het slagen van het project afhangt van het ontwikkelen van een goede sociale structuur. Frazer Hay zegt het als volgt: “There is a fine balance between architecture and humanity. The buildings we design directly influence the way in which we live our lives, they direct and manipulate the way in which we engage with our social values, educational, commercial and spiritual needs, even our appreciation of the arts.” 


vrijdag 18 november 2011

Genk als een vorm van spreken [Nancy Van Sieleghem]

Wat betekent het om zelf een stem te hebben? En wat betekent het voor anderen om een stem te hebben? Net zoals Isabelle Stengers de idioot een stem tracht te geven, gaat Nancy Van Sieleghem op zoek naar manieren om recht te doen aan de meerstemmigheid van de pedagogische actualiteit. Hiervoor vertrekt ze van ‘Le fils’, een film van de gebroeders Dardenne over een leerkracht die les geeft aan een jongen die later de moordenaar van zijn zoon blijkt te zijn. ‘Ik wil alleen maar met je spreken’. Dit is het antwoord dat Olivier in de film geeft op Francis’s vraag of Olivier zijn mentor wil worden. Deze woorden vormen tevens het vertrekpunt van Nancy Van Sieleghem haar vertoog.

In haar verhandeling plaatst Nancy Van Sieleghem twee vormen van spreken lijnrecht tegenover elkaar. Eerst beschrijft ze een aantal vormen van spreken die erg functionalistisch gedacht zijn, vormen waarbij er gesproken wordt met een bepaald doel in het achterhoofd. Een voorbeeld hiervan is het bemiddelend spreken, een spreken dat het vermogen om voor zichzelf op te komen wil versterken. Spreken wordt hier dus als een middel gezien, als een manier om iets ‘af te sluiten’. Denk maar aan het uitpraten van een ruzie opdat men hierna terug verder kan of het verhelderen van  een vraagstuk opdat men het zou kunnen oplossen.

Verder werkt ze het soort van spreken uit waarvan ze denkt dat het zich in de film afspeelt, namelijk een spreken dat recht doet aan de situatie. Deze vorm van spreken gaat uit van een passie en nieuwsgierigheid voor datgene wat zich voordoet en de bereidheid erop in te gaan of er zich mee in te laten, zonder vooraf te weten waarop.  In die zin gaat het om een spreken vanuit de bereidheid zich te laten verwonderen door wat er zich hier en nu voordoet.  Vanwege de spreker is er een bereidheid om zich kwetsbaar op te stellen, waardoor hij/zij het risico loopt om zichzelf op het spel te zetten. In tegenstelling tot het functionalistisch spreken, gaat het hier om een vorm van spreken die een begin van iets aankondigt, die iets ‘opent’.

In ‘Le fils’ beantwoordt Olivier de vraag van Francis niet op de gebruikelijke manier. Hij doorloopt bijvoorbeeld niet de pro’s en contra’s, stelt geen condities of voorwaarden waaraan Francis dient te beantwoorden en gaat niet over tot het opstellen van een contract waarin de belangen van beide partijen transparant en vastgelegd worden [functionalistisch spreken]. Oliviers spreken getuigt eerder van een sprakeloosheid. Hij wordt gegrepen door iets. Het is alsof de woorden waarover hij beschikt, niet langer betekenis hebben, en op het punt staan opnieuw betekenis te krijgen. In die zin kunnen we de uitspraak van Olivier begrijpen als de aankondiging van een nieuw begin, als een uitnodiging om een ander spreken te denken.

Ook wat Genk betreft hebben we ons laten verwonderen door wat er zich in de stad afspeelde. Vanuit enige nieuwsgierigheid zijn we op pad gegaan en hebben we ons - zonder enige oriëntatie - blootgesteld aan de verhalen die we op onze weg tegenkwamen. Doorheen de gesprekken met medestudenten en met Jan & Wim ging het er niet om kennis & inzichten te verwerven, noch om het vellen van oordelen of het geven van verklaringen met betrekking tot ons ontwerp. Wel werd datgene wat aanvankelijk gezegd en gedacht werd over Genk op het spel gezet, waardoor we vervreemden van datgene wat we voorheen als vanzelfsprekend ervoeren. 

maandag 14 november 2011

De mens als sociaal wezen

Steeds vaker hoor je, zowel in de wandelgangen als in de media dat mensen niet meer buiten komen, dat ze geen initiatief meer nemen, dat ze elkaar niet meer vertrouwen, enzovoort. Maar wat is er effectief van aan? Onderstaand artikel uit de morgen van 3/3/2011 levert het bewijs dat we deze geruchten met een korreltje zout moeten nemen. Blijkbaar zijn mensen toch nog meer sociale wezens dan we zouden denken? En waarom zou dat in Genk anders zijn dan in de rest van Vlaanderen? Misschien moeten we in Genk dan maar inzetten op deze nieuwe soorten samenlevingsvormen? 


zondag 13 november 2011

Een sprong in het duister

Hoe zeer ik ook probeer om alle mogelijkheden open te houden, ik blijf in mijn blogberichten steeds tot de vaststelling komen dat de problemen in Genk zich situeren op het niveau van het ‘samen leven/wonen’. Op de een of andere manier wordt er in Genk niet meer samen geleefd, maar  is er als het ware een afstand tussen de burgers ontstaan waardoor ontmoeting onmogelijk gemaakt wordt. Hoe kunnen we deze kloof overbruggen? Hoe kunnen we de ‘samen-leving’ anders gaan organiseren opdat mensen de sprong naar de ander terug durven maken?


Antwerpen Europese Jongerenhoofdstad 2011

“Antwerpen is een fantastische plek voor kinderen en jongeren om op te groeien, te wonen, te studeren, te werken, te spelen, kortom, te zijn. Daarom bekroonde de Europese jongerenraad onze stad, na Turijn en Rotterdam, als de derde Jongerenhoofdstad van Europa. Antwerpen is Europese Jongerenhoofdstad 2011.”  [http://www.aeyc2011.be/nl/over-aeyc2011]

Hoewel het in Genk niet lukt, blijken de inspanningen van de Stad Antwerpen om haar jongeren op straat te brengen toch meer verdienstelijk te zijn. Deze conclusie kon ik vorig weekend in de praktijk aanschouwen toen ik tijdens een wandeling door Antwerpen op tal van plaatsen jongeren op straat zag komen. Ik maakte er onderstaande beelden van. Hoe komt het dat Antwerpen hier wel in slaagt, terwijl de mensen in Genk enkel nog buitenkomen wanneer het echt moet?  

Wanneer ik kijk naar de bevolkingsgegevens van deze twee steden, valt het me op hoe weinig dichtbevolkt Genk is in vergelijking met Antwerpen (737 inwoners/km² tegenover 2364 inwoners/km²). Is het de ruimtelijke afstand tussen de inwoners die ervoor zorgt dat mensen ook figuurlijk op afstand blijven en nog amper tot ontmoetingen komen? En zoja, zijn er manieren om die afstand te overbruggen? Hoe kunnen we de Genkenaren terug een beetje dichter bij elkaar brengen en zo de ontmoeting terug levend maken?

woensdag 9 november 2011

Hoe de idioot me opnieuw op weg zet [The Cosmopolitical Proposal]

In onze samenleving heerst een klimaat waarin de noodzaak van interventie centraal staat. De situatie in Genk mobiliseert ons, net zoals heel wat andere urgente problemen die om antwoorden/oplossingen vragen.  Isabelle Stengers roept ons op om deze beweging stop te zetten en schuift in het kader daarvan een kosmopolitiek voorstel naar voren. Binnen dit voorstel beklemtoont ze de aanwezigheid van de idioot, diegene die altijd de andere doet vertragen en die weerstand biedt aan de gewone manier waarop we situaties die ons mobiliseren, voorstellen. 

De idioot is diegene die mompelt dat er iets belangrijker is, iets waar we op het eerste gezicht geen oog voor hebben, iets waartoe we meer nodig hebben dan goede wil en respect. In die zin spoort hij ons net zoals The Wire aan om verder te kijken dan datgene wat direct zichtbaar is  [beyond the obvious] en last hij hiertoe een ruimte voor aarzeling in. Deze onderbreking vertraagt onze manier van denken en argumenteren [slow down reason] en maakt zo heel even een opening mogelijk waardoor een stem toegevoegd kan worden  aan het verhaal. 

Het lezen van de tekst van Isabelle Stengers zet me aan het denken. Enkel door de stad te laten spreken [= art of magic] zullen we pas tot een oplossing kunnen komen voor de problemen in Genk. Willen we de rijkdom aan stemmen laten spreken, dan moeten we niet dadelijk tot interventie overgaan, maar moeten we juist onszelf de nodige tijd geven om te denken en te argumenteren en moeten we op zoek naar ‘something more important’. Hierbij is het van belang dat we het gemompel van de idioot efficiënter maken. We moeten de stad laten spreken. Of anders gezegd: we moeten denken over Genk in de aanwezigheid van Genk.

dinsdag 8 november 2011

Voor(r)uit! [18 oktober]


Willen we een volkshogeschool oprichten in Genk, dan moeten we eerst weten wat het begrip ‘volkshuis’ precies inhoudt.  Daarom gingen we op dinsdag 18 oktober een bezoek brengen aan De Vooruit in Gent. Via dit immense volkshuis - opgericht als visitekaartje van de Gentse socialistische beweging in het kader van de wereldtentoonstelling van 1913 – werd er gestreefd naar de intellectuele en morele verheffing van arbeidersfamilies. Wegens financiële beslommeringen kon het gebouw echter pas na WO I officieel geopend worden – een zwaar fiasco voor de beweging. 



De wereldwijde economische malaise na WOI was niet bevorderend voor de verdere groei van het volkshuis. De bank van de arbeid, die deels instond voor de financiering van het gebouw, ging failliet, waardoor er niet langer geld voorhanden was om het gebouw te onderhouden. Zelf de oprichting van een warenhuis binnen het gebouw kon de Vooruit niet helpen van de verloedering. Een aannemer in Gent opperde zelf de idee om het gebouw af te breken. Gelukkig drongen een aantal studenten het gebouw binnen om de drastische toestand van het gebouw te fotograferen en (inter)nationaal te verspreiden - met de nodige reacties tot gevolg. 


Het gebouw werd gerenoveerd en in 1983 erkend als monument. Hoewel dit een grote stap voorwaarts betekende – het gebouw kon zo verder gerestaureerd worden met behulp van subsidies van Monumentenzorg – was er ook een keerzijde aan deze evolutie, aangezien Monumentenzorg er vanaf dan immers heel wat in de pap te brokken had. Een paar jaar later werd De Vooruit volledig gedepolitiseerd, waardoor een lidkaart van de socialistische partij niet langer noodzakelijk was om toegang te krijgen tot activiteiten.  


In De Vooruit kan je vandaag terecht voor activiteiten van allerhande aard: fuiven, concerten, culturele manifestaties, debatten, en noem zo maar op. Met z’n 2000 activiteiten en 275.000 bezoekers per jaar blijft dit kunstencentrum dan ook het pronkstuk van de stad Gent. Tot op de dag van vandaag besteedt het huis bijzondere zorg aan onderhoud, renovatie en aanpassing aan nieuwe noden met betrekking tot veiligheid & milieu, podiumtechnische infrastructuur, publiekscomfort, ICT en nieuwe media.  [http://vooruit.be/nl/gebouw/de-nieuwe-eeuw]

Via het Instituut voor sociale geschiedenis [Amsab] – een door de Vlaamse regering erkende landelijke culturele archiefinstelling – kregen we eerder die dag ook inkijk in het beeldarchief  van de Vooruit en andere volkshuizen in Vlaanderen. Ik realiseerde me plots hoe sterk deze volkshuizen de laatste decennia niet moeten aanwezig geweest zijn binnen het Vlaamse landschap. Wat was er dan zo bijzonder aan deze huizen? En waarom is dit fenomeen vandaag de dag veel minder verspreid in Vlaanderen? Is een opmars van deze volkshuizen opnieuw mogelijk?