Wat betekent het om zelf een stem te hebben? En wat betekent het voor anderen om een stem te hebben? Net zoals Isabelle Stengers de idioot een stem tracht te geven, gaat Nancy Van Sieleghem op zoek naar manieren om recht te doen aan de meerstemmigheid van de pedagogische actualiteit. Hiervoor vertrekt ze van ‘Le fils’, een film van de gebroeders Dardenne over een leerkracht die les geeft aan een jongen die later de moordenaar van zijn zoon blijkt te zijn. ‘Ik wil alleen maar met je spreken’. Dit is het antwoord dat Olivier in de film geeft op Francis’s vraag of Olivier zijn mentor wil worden. Deze woorden vormen tevens het vertrekpunt van Nancy Van Sieleghem haar vertoog.
In haar verhandeling plaatst Nancy Van Sieleghem twee vormen van spreken lijnrecht tegenover elkaar. Eerst beschrijft ze een aantal vormen van spreken die erg functionalistisch gedacht zijn, vormen waarbij er gesproken wordt met een bepaald doel in het achterhoofd. Een voorbeeld hiervan is het bemiddelend spreken, een spreken dat het vermogen om voor zichzelf op te komen wil versterken. Spreken wordt hier dus als een middel gezien, als een manier om iets ‘af te sluiten’. Denk maar aan het uitpraten van een ruzie opdat men hierna terug verder kan of het verhelderen van een vraagstuk opdat men het zou kunnen oplossen.
Verder werkt ze het soort van spreken uit waarvan ze denkt dat het zich in de film afspeelt, namelijk een spreken dat recht doet aan de situatie. Deze vorm van spreken gaat uit van een passie en nieuwsgierigheid voor datgene wat zich voordoet en de bereidheid erop in te gaan of er zich mee in te laten, zonder vooraf te weten waarop. In die zin gaat het om een spreken vanuit de bereidheid zich te laten verwonderen door wat er zich hier en nu voordoet. Vanwege de spreker is er een bereidheid om zich kwetsbaar op te stellen, waardoor hij/zij het risico loopt om zichzelf op het spel te zetten. In tegenstelling tot het functionalistisch spreken, gaat het hier om een vorm van spreken die een begin van iets aankondigt, die iets ‘opent’.
In ‘Le fils’ beantwoordt Olivier de vraag van Francis niet op de gebruikelijke manier. Hij doorloopt bijvoorbeeld niet de pro’s en contra’s, stelt geen condities of voorwaarden waaraan Francis dient te beantwoorden en gaat niet over tot het opstellen van een contract waarin de belangen van beide partijen transparant en vastgelegd worden [functionalistisch spreken]. Oliviers spreken getuigt eerder van een sprakeloosheid. Hij wordt gegrepen door iets. Het is alsof de woorden waarover hij beschikt, niet langer betekenis hebben, en op het punt staan opnieuw betekenis te krijgen. In die zin kunnen we de uitspraak van Olivier begrijpen als de aankondiging van een nieuw begin, als een uitnodiging om een ander spreken te denken.
Ook wat Genk betreft hebben we ons laten verwonderen door wat er zich in de stad afspeelde. Vanuit enige nieuwsgierigheid zijn we op pad gegaan en hebben we ons - zonder enige oriƫntatie - blootgesteld aan de verhalen die we op onze weg tegenkwamen. Doorheen de gesprekken met medestudenten en met Jan & Wim ging het er niet om kennis & inzichten te verwerven, noch om het vellen van oordelen of het geven van verklaringen met betrekking tot ons ontwerp. Wel werd datgene wat aanvankelijk gezegd en gedacht werd over Genk op het spel gezet, waardoor we vervreemden van datgene wat we voorheen als vanzelfsprekend ervoeren.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten