vrijdag 16 december 2011

We can know things through the cinema

Een reflectie op het maken van een film kan ons iets leren over (onderzoek naar) educatie. Daarom werden we deze week ondergedompeld in de films van Pedro Costa, een Portugees filmdirecteur die gekend staat voor zijn legendarische beelden van drugsverslaafden in gemarginaliseerde wijken. Costa zet zich af tegen de traditionele cinema. Hij gelooft immers dat “today, in the cinema, when we open a door, it’s always quite false, because it says to the spectator: ‘Enter this film and you’re going to be fine, you’re going to have a good time’, and finally what you see in this genre of film is nothing other than yourself, a projection of yourself.”

Voor Costa mag de deur niet steeds openstaan, mag de cineast de sleutel niet leveren om de film binnen te treden, maar moet de toeschouwer zelf op zoek naar die sleutel. Juist die weerstand, die hindernis, maakt het mogelijk voor de toeschouwer om naar een film te kijken, zonder dat deze samenvalt met een projectie van zichzelf. “When he begins, rarely, to see a film, it’s when the film doesn’t let him enter, when there’s a door that says to him: ‘Don’t come in.’ That’s when he can enter. The spectator can see a film if something on the screen resists him. If he can recognize everything, he’s going to project himself on the screen, he’s not going to see things.”

Een film is met andere woorden een werk dat een inspanning vergt van de kijker. Costa heeft het echter niet alleen over de inspanning van de kijker, maar beklemtoont ook hoe moeilijk het is om als regisseur een film ineen te steken. “Cinema is not exactly life. It works with the ingredients of life and you organize, construct these ingredients in a manner different from life. We’re going to see them in a different light. It’s not life, but at the same time, it’s made using the elements of life, which is something very mysterious and sometimes quite beautiful. A director would have to live in tension all the time, but it’s complicated because we can’t.”

Ook mijn ontwerp in Genk zal een zekere inspanning vragen van mezelf als ontwerper. Het project dat ik wil bedenken zal niet gewoon de overname van een bestaande methode zijn [vb. ontmoetingen in een jeugdhuis organiseren], noch zal het een loutere herhaling zijn van de pedagogische machinerie die ik reeds jaren terug leerde kennen. Het zal een ontwerp zijn waarin ik in zekere zin afstand doe van het pedagoog-zijn, waarin ik mijn pedagogische deskundigheid niet vergeet, maar waarin ik op een andere manier met mijn kennis aan de slag ga. Een pedagoog is met andere woorden nooit  ‘sans métier’, maar is altijd bewoner van zijn eigen beroep op een bepaalde manier.  

Naar analogie met de films van Pedro Costa, kan een project in Genk maar iets met Genk te maken hebben als het ook iets met de ontwerper te maken heeft. Als ontwerper moet je immers ook zelf iets doen: je moet op zoek naar een zekere kracht of energie in jezelf om de dingen op een bepaalde manier te doen. Er is het inbrengen van het eigen verleden in datgene wat je zal bedenken. Het gaat om krachten vinden, het gaat om Genk te vinden [‘trouver le monde’] en op een gedacht, een project te komen. Om die kracht te vinden, probeer ik me zoveel mogelijk te richten op mijn interesseveld, op die dingen die me interesseren en zo motiveren om door te gaan. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten