dinsdag 20 december 2011

Toekomstplannen?

Na mijn presentatie van vandaag gaven Jan & Lucia me een aantal tips voor mijn verdere onderzoek. Om deze niet te vergeten, schrijf ik ze alvast op mijn blog:

COLLECTIEF WONEN
  • Gaat het bij de types van gemeenschappelijk wonen om 1 gebouw of om meerdere huizen naast elkaar? (vb. centraal wonen)
  • Wat gebeurt er in die collectieve woonvormen? Welke soorten van ‘samen-zijn’ treffen we er aan? Gaat het om specifieke activiteiten? Of gaat het om alledaagse zaken zoals koken, wassen, spreken…  
  • Hoe verhouden mensen zich in die activiteiten t.o.v. elkaar?
  • Wat is de relatie van een bepaalde woonvorm tot een bepaalde plaats?
  
SAMEN TAFELEN  
  • Waar wordt er in Genk getafeld?
  • In de context van migratie krijgt wonen een andere betekenis. Wonen wordt bij ons vaak gelinkt aan ‘thuis horen’, ‘verbonden zijn met een bepaalde plaats’. Dit wordt instabieler voor migranten. [Onderzoek VUB]
  • Welk soort ‘samen’ is dit?
  • Permanent Breakfast:
  1. Dit initiatief is geen spelletje, maar een onderzoeksinstrument, een manier om  dingen zichtbaar te  maken over relaties tussen mensen. Kunstenaars hebben hier erg over nagedacht.
  2. Dit initiatief maakt de publieke ruimte opnieuw zichtbaar [to go beyond the obvious]
    Vb. indien je een tafel op de Oude Markt zou plaatsen, zou je zien dat dit initiatief daar niet werkt. Blijkbaar is de Oude Markt niet zo publiek als men zou denken.
    Vb.indien je een tafel op een grensplaats tussen verschillende wijken zou plaatsen, dan zou je merken dat scheidingslijnen soms tamelijk strikt zijn.

    Tip: andere initiatieven van deze kunstenaars bestuderen op de website
VOLKSHUIZEN/VOLKSHOGESCHOLEN
  • Waarom hebben bepaalde vormen van wonen iets met volk/scholen te maken? 
  • Over welk soort volk gaat het hier?
    << niet denken in termen van doelgroepen [hokjesdenken]>>
Verder krijg ik ook de raad om me niet te veel te projecteren op het resultaat van mijn ontwerp. Ik moet mijn onderzoek immers als doel op zich zien.

vrijdag 16 december 2011

Alternatieve woonvormen op een rijtje

DE COMMUNE = woonvorm die – als alternatief voor het gezin en de samenleving – ontstaan is in Nederland in de jaren 1960 en 1970 en die zich verspreid heeft naar België, Groot-Brittannië, Frankrijk, Oostenrijk, Israël, de VS, Australië en Japan. Deze vorm omvat slechts een beperkt aantal jonge bewoners: minimum vier volwassenen, gemiddeld zes, al dan niet met kinderen. In deze communes wordt er samen gegeten & geleefd en is de huishouding gemeenschappelijk.

KIBBOETS = woonvorm die in 1920 wordt opgericht in Israël en die zich, net zoals de commune, verspreid heeft naar een groot aantal landen. In de kibboets leven redelijk grote groepen mensen samen met een hoge graad van collectiviteit: wonen, werken & bezittingen situeren zich op niveau van de groep. Aanvankelijk was er amper sprake van privacy of zelf een individueel gezin, tegenwoordig is de mate van gemeenschappelijkheid in de kibboetsen verminderd. Het gezin wordt terug afgebakend.


KOLLEKTIVHUS = woonvorm die zijn oorsprong vindt in Zweden in de jaren 1970 en die zich voornamelijk richt op gezinnen. Het gebouw omvat twintig tot vijftig eenheden, zowel in laagbouw als in hoogbouw. Het kollektivhus is toegankelijk voor alle leeftijden en beschouwt eten en kinderopvang als gemeenschappelijke activiteiten. Naast de gemeenschappelijke ruimtes in het appartementsgebouw heeft elk nog zijn eigen voorzieningen. Enkele doelstellingen zijn: invloed van bewoners op beheer en sociale integratie van verschillende leeftijden.


SELF-WORK MODEL = woonvorm die in 1977 ontstaat uit het kollektivhus. Een self-work project is doorgaans kleiner en omvat slechts tien tot vijftig appartementen. Deze woonvorm streeft naar de integratie tussen verschillende leeftijden en hecht belang aan het samen eten en kuisen. De ideologie in dit model is gemeenschap bekomen door samen te werken en de bewoners meer te betrekken.

SERVICE HOUSING = vorm van collectief wonen in Zweden (1970) die gecombineerd wordt met service wonen. Door het samen laten leven van verschillende bewonersgroepen (gezinnen, ouderen, gehandicapten…) streeft men naar de integratie tussen deze specifieke groepen. De vorm van gemeenschappelijkheid is gelijkaardig aan die bij kollektivhus.

COMMUNAUTEIT [kloostergemeenschap of abdij] = zeer bekend, tijdloos voorbeeld van samenwonen, met een achterliggende religieuze ideologie. “De paters leven en werken samen om hun klooster te onderhouden en te kunnen bewonen Ze zijn voor al hun levensbehoeften afhankelijk van elkaar en vormen zo een gemeenschap op zichzelf. In de kloostergemeenschappen leeft men zeer intensief samen door het minieme bezit van privéruimten. Ook hebben de bewoners weinig tot geen eigen bezittingen.” [Laura Vanderhoven, 2010-2011]


KRAAKPAND: woonvorm die pas concreet vorm krijgt wanneer in Nederland de eerste georganiseerde kraakacties plaatsvinden (1964). “Krakers wonen op onroerend goed van een eigenaar die daar geen toestemming voor geeft. Kraakpanden behoren zeker tot het ‘samenwonen’ omdat de krakers zich samen actief inzetten. Vaak is dit tegen de maatschappij als anders- of antiglobalisten. Men leeft samen in het pand en ‘bezit’ enkel een kamer, maar eigenlijk is het gehele pand gemeenschappelijk omdat ze het samen gebruiken.” [Laura Vanderhoven, 2010-2011]




We can know things through the cinema

Een reflectie op het maken van een film kan ons iets leren over (onderzoek naar) educatie. Daarom werden we deze week ondergedompeld in de films van Pedro Costa, een Portugees filmdirecteur die gekend staat voor zijn legendarische beelden van drugsverslaafden in gemarginaliseerde wijken. Costa zet zich af tegen de traditionele cinema. Hij gelooft immers dat “today, in the cinema, when we open a door, it’s always quite false, because it says to the spectator: ‘Enter this film and you’re going to be fine, you’re going to have a good time’, and finally what you see in this genre of film is nothing other than yourself, a projection of yourself.”

Voor Costa mag de deur niet steeds openstaan, mag de cineast de sleutel niet leveren om de film binnen te treden, maar moet de toeschouwer zelf op zoek naar die sleutel. Juist die weerstand, die hindernis, maakt het mogelijk voor de toeschouwer om naar een film te kijken, zonder dat deze samenvalt met een projectie van zichzelf. “When he begins, rarely, to see a film, it’s when the film doesn’t let him enter, when there’s a door that says to him: ‘Don’t come in.’ That’s when he can enter. The spectator can see a film if something on the screen resists him. If he can recognize everything, he’s going to project himself on the screen, he’s not going to see things.”

Een film is met andere woorden een werk dat een inspanning vergt van de kijker. Costa heeft het echter niet alleen over de inspanning van de kijker, maar beklemtoont ook hoe moeilijk het is om als regisseur een film ineen te steken. “Cinema is not exactly life. It works with the ingredients of life and you organize, construct these ingredients in a manner different from life. We’re going to see them in a different light. It’s not life, but at the same time, it’s made using the elements of life, which is something very mysterious and sometimes quite beautiful. A director would have to live in tension all the time, but it’s complicated because we can’t.”

Ook mijn ontwerp in Genk zal een zekere inspanning vragen van mezelf als ontwerper. Het project dat ik wil bedenken zal niet gewoon de overname van een bestaande methode zijn [vb. ontmoetingen in een jeugdhuis organiseren], noch zal het een loutere herhaling zijn van de pedagogische machinerie die ik reeds jaren terug leerde kennen. Het zal een ontwerp zijn waarin ik in zekere zin afstand doe van het pedagoog-zijn, waarin ik mijn pedagogische deskundigheid niet vergeet, maar waarin ik op een andere manier met mijn kennis aan de slag ga. Een pedagoog is met andere woorden nooit  ‘sans métier’, maar is altijd bewoner van zijn eigen beroep op een bepaalde manier.  

Naar analogie met de films van Pedro Costa, kan een project in Genk maar iets met Genk te maken hebben als het ook iets met de ontwerper te maken heeft. Als ontwerper moet je immers ook zelf iets doen: je moet op zoek naar een zekere kracht of energie in jezelf om de dingen op een bepaalde manier te doen. Er is het inbrengen van het eigen verleden in datgene wat je zal bedenken. Het gaat om krachten vinden, het gaat om Genk te vinden [‘trouver le monde’] en op een gedacht, een project te komen. Om die kracht te vinden, probeer ik me zoveel mogelijk te richten op mijn interesseveld, op die dingen die me interesseren en zo motiveren om door te gaan. 

donderdag 15 december 2011

Babel

“Een schot weerklinkt in de Marokkaanse woestijn… Het startschot van een reeks gebeurtenissen die levens zal veranderen. De levens van een Amerikaans koppel dat vecht voor hun relatie, de levens van twee jonge Marokkanen die per ongeluk een misdaad begaan, het leven van een huishoudster die met twee Amerikaanse kinderen illegaal de Mexicaanse grens oversteekt en het leven van een Japanse, dove adolescente wiens vader gezocht wordt door de politie. Hoewel hun cultuur en levenswijze mijlenver uit elkaar liggen, zullen de wegen van deze mensen elkaar kruisen…”

Hierboven leest u de korte inhoud van de film Babel, een drama geregisseerd door Alejandro González Iñarritu en tevens een prachtig stukje filmkunst als je ’t mij vraagt. Hoewel de personages in de film niets met elkaar te maken hebben, blijkt één kogel voldoende te zijn om de levenslijnen van deze mensen met elkaar te verweven. Ook in Genk wil ik een schot lossen, een schot dat niet het einde van iets aankondigt, maar juist het startschot vormt van een gemeenschap die wel iets gemeenschappelijk heeft. Parallelle wegen mogen niet langer de norm zijn, maar moeten heraangelegd worden tot wegen die kruisen en zo leiden tot boeiende ontmoetingen.



Permanent Breakfast


Het initiatief ‘Permanent Breakfast’werd in 1996 opgericht door een aantal kunstenaars in Wenen. Zij besloten om de ontbijttafel mee naar buiten te dragen en op straat te gaan ontbijten. “De groep kreeg zulke vreemde reacties van voorbijgangers dat ze zich realiseerden dat, door die tafel daar neer te zetten, ze iets deden met een publieke plek als een plein, een straat, een park.” Via het ontbijten leek de grens tussen het private en het publieke doorbroken te worden, een soort wonen in de publieke ruimte, publiek wonen.


“De groep  besloot  op  straat  te  blijven ontbijten en mensen uit te nodigen om mee aan te schuiven. Zo ontwikkelde zich de idee van een  soort  piramidespel.  De  groep  ging  op  verschillende  plaatsen  in  Wenen  in  de  publieke ruimte  ontbijten  en nodigde  voorbijgangers  uit  om  mee  te  eten.  Mee  aanzitten  aan  een ontbijttafel  kost  niets  en  wordt  ook  op  geen  enkele  wijze  verbonden  met  een  politiek  of maatschappelijk  programma. De  enige  regel is  dat iedereen  die mee  eet,  belooft  om  daarna zelf  een  ontbijt  te  organiseren  en  weer  andere  mensen  uit  te  nodigen.  Dit  spel  kende  een aanzienlijk  succes  en  verspreidde  zich  in  vele  landen. “ [Vandenabeele, Reyskens & Wildemeersch]


De reacties van de mensen die de tafel passeerden waren veelzeggend. Heel vaak gaven mensen aan geen tijd te hebben, keek men op zijn/haar horloge en werd er haastig doorgestapt. Mensen – zowel kinderen, bejaarden als volwassenen – begonnen vaak zelfs sneller te lopen wanneer de rijk gedekte ontbijttafel in hun zicht kwam. Er is  dus iets aan deze praktijk die te maken heeft met de manier waarop we tijd beleven. Het ontbijten aan een tafel op straat lijkt de tijd of althans de manier waarop we tijd beleven stil te zetten. Dit lijkt voor velen niet zo makkelijk. Door in de publieke ruimte tijd te nemen voor dingen die niet nuttig zijn, doorbreken we onze routine.” 

“Een  andere  vaak  voorkomende  reactie  is  dat  mensen vragen  wat  de  kunstenaars  willen  verkopen  of  welke  groepering  ze  vertegenwoordigen. Wanneer de kunstenaars aangeven dat het niet gaat om een commerciële activiteit en ook niet om een politieke boodschap, zijn mensen vaak achterdochtig. Mensen lijken er vanuit te gaan dat  iedereen  bedoelingen  heeft,  dat  er  ook  altijd  een  boodschap  is  waar  ze  van  overtuigd moeten  worden.  Het  zomaar  uitgenodigd  worden  om  mee  te  ontbijten,  samen  met  andere onbekenden,  maakt  mensen  achterdochtig. 
De  gewone  verhoudingen lijken  hier losgewrikt.” [Vandenabeele, Reyskens & Wildemeersch]



Heel vaak werden de initiatiefnemers van het ontbijt weggejaagd uit schijnbaar publieke plaatsen en werden stoelen, tafels, boterkoeken en koffie verwijderd door private bewakingsfirma’s. Blijkbaar kunnen deze publieke plaatsen dan toch niet zo vrij gebruikt worden als het lijkt. “Derschmidt et al. spreken in dit geval van private commerciële ruimten die gecamoufleerd zijn als publieke ruimte.” Los daarvan waren er natuurlijk ook heel wat andere, positieve reacties. Heel wat voorbijgangers kwamen wel rond de tafel zitten en gingen zonder enige aarzeling het gesprek aan met andere tafelgenoten.

Dit initiatief is een beetje vergelijkbaar met mijn verhaal van een paar weken terug waarin ik aangaf hoe ik samen met vreemden aan tafel ging. Permanent Breakfast brengt immers ook mensen rond de tafel, mensen die compleet vreemd voor elkaar zijn en die op het eerste zicht geen gemeenschappelijk verhaal met elkaar hebben. “Waar  het  om  gaat  in  dit  beeld  is  dat  mensen zichtbaar  worden  voor  anderen  [Masschelein,  1990], dat ze blootgesteld worden aan anderen die vreemd zijn, die we niet kunnen vatten en die ons toch aanspreken op een of andere manier.” [Vandenabeele, Reyskens & Wildemeersch]

In deze concrete case functioneert de tafel eveneens als een ‘in-between’ die tegelijkertijd scheidt en bindt. Er heerst in de contacten van de tafelgangers een oprechte hartelijkheid, maar ook altijd een soort afstand of afstandelijkheid omdat de betrokkenen elkaars nauwelijks of niet kennen – en in die zin zwak zijn. Toch tonen de kleine ontmoetingen, een blik, een woord, een uitwisseling hen dat ze eigenlijk al altijd al op anderen betrokken zijn, zonder dat ze dezelfde waarden delen of elkaar al lang kennen. In tegenstelling tot mijn ervaring, gaat het hier echter over een publieke interactie en niet over die andere persoon als privépersoon.  “De aandacht ligt bij hetgeen er ‘tussen’ hen gebeurt en niet bij de identiteit van de ene of de andere.” [Vandenabeele, Reyskens & Wildemeersch]

“We worden voor een stuk buiten de vertrouwde (rationele) gemeenschap getrokken en komen in een andere verhouding tot elkaar terecht.  Deze  verhouding  is  niet  meer  een  berekende  verhouding  of  een  verhouding  tussen gelijkgezinden. Alfonso Lingis (1994), die we al eerder citeerden, spreekt in dit verband over een  gemeenschap  van  zij  die  niets  gemeenschappelijk  hebben Men  engageert  zich  in  een gemeenschap, niet zozeer door zichzelf en de eigen kracht van zichzelf te manifesteren, maar door zichzelf bloot te stellen aan krachten en anderen die van buiten de eigen gekende kring van mensen afkomstig zijn.”



Na het lezen van deze tekst van Joke Vandenabeele, Peter Reyskens en Danny Wildemeersch kriebelt het bij mij om eens te kijken hoe een initiatief als ‘Permanent Breakfast’ in Genk iets zou kunnen betekenen. Is een gebrek aan blootstelling het grootste probleem van de Genkenaren? En zoja, hoe kan ik hier dan verandering in brengen? Hoe kan ik de inwoners van Genk verenigen rond een tafel? Hoe breng ik hen in contact met hun medebewoners, of beter gezegd met de gemeenschap waarmee zij niets gemeenschappelijk hebben? 

donderdag 8 december 2011

Gemeenschappelijk wonen = HOT!

1.    Wat is gemeenschappelijk wonen?
We wonen steeds minder samen. We zullen dat ook steeds minder doen in de toekomst. In 2008 woont 12% van de Vlaamse bevolking alleen. Volgens de huishoudensprojecties van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (Lodewijckx, E., Willems, P., Pelfrene, E. & Van Peer, C., 2011) zal dit percentage in 2030 stijgen tot 15%. Ondanks deze toenemende trend van individualisering, is er opnieuw een maatschappelijke stroming die het samenwonen en het zorgen voor elkaar hoog in het vaandel draagt. 

Samenhuizen vzw hanteert de volgende definitie
<< Om van een woongemeenschap te kunnen spreken moet je bewoners hebben, afkomstig uit verschillende gezinnen, die vrijwillig in mindere of meerdere mate van betrokkenheid samenleven, met de bedoeling om minstens een sociale meerwaarde te geven aan dit samenwonen >> [Jonckheere Luk, Kums Roland & De LEeuw Els, 2007]

Er zijn diverse types en vormen van gemeenschappelijk wonen die elk hun eigen sterktes en zwaktes kennen en die elk hun eigen moeilijkheden & knelpunten ontmoeten. De verschillen in woongemeenschap worden voornamelijk bepaald door volgende factoren: 
   1. Mate van gemeenschappelijkheid 
   2. Grootte van de gemeenschap
   3. Duurzaamheid van het engagement
      Opm. duur van het samenwonen is doorgaans korter bij jongeren en neemt toe met de
      leeftijd.
   4. Bijzondere doelgroep of niet? (alleenstaande ouders, kansarmen, senioren...)
   5. Juridische structuur (eigendomsvorm, lidmaatschapsvorm...)
   6. Bijzondere accenten (vb. ecologisch bewust leven, spirituele verdieping...)

Samenhuizen vzw spreekt over 'Woongemeenschappen' of projecten 'Gemeenschappelijk wonen' en maakt voor ons land een onderscheid tussen enkele typen: 
  • Gemeenschapshuis = een huis dat gedeeld wordt door studenten of jong-werkenden en dat gekenmerkt wordt door zijn niet-duurzaam karakter. Meestal is enkel de slaapkamer privé en is de rest van het huis gemeenschappelijk. Deze gemeenschapshuizen kom je vaak tegen in Leuven (denk maar aan de huizen van de Universitaire Parochie), maar ook in andere universiteitssteden. De term 'Friends-wonen' wordt soms in dit verband gebruikt. 
  • Woongroep = een soort van gemeenschapshuis waarin de bewoners – zowel jong als  oud – meer privé-ruimte genieten en dat ook een duurzamer karakter kent dan gemeenschapshuizen. Deze woongroepen worden vooral in en rond steden opgericht.
  • Centraal wonen = een woonvorm waarbij iedere bewoner een eigen ‘unit’ heeft met naast slaap- en woonkamer ook een keukentje en een badkamer. Op projectniveau zijn er tal van voorzieningen: een bewonerscafé, een werkplaats, gastenkamers, ontspanningsruimtes, een tuin… Zeer zelden is er ook een keuken en een eetzaal voor de volledige gemeenschap.
  • Cohousing = een woonvorm, gelijkend op centraal wonen, met zeer uitgebreide gemeenschappelijke ruimtes en voorzieningen. Niet enkel een parking, clubhuis en wasserette, maar ook steeds een keuken/eetzaal waar bewoners minstens enkele keren per week (soms dagelijks) de kans krijgen om samen te eten.
  • Leefgemeenschap = gemeenschap met een eerder duurzaam karakter waar de graad van maatschappelijkheid groter is dan in centraal wonen of cohousing. In vele gevallen is er een zekere ideologische factor die de bewoners bindt: religie, ecologie, en/of solidariteit bijvoorbeeld. Doordat er meer activiteiten gezamenlijk georganiseerd worden moet er ook meer onderling overleg gebeuren tussen de bewoners. (vb. christelijk geïnspireerde kloostergemeenschappen, hippie communes)
  • Tweewoonst = een woning die benut wordt door twee alleenstaanden of gezinnen. Dit kan een min of meer betrokken vorm  van samenwonen inhouden en kan tijdelijk zijn of langdurig. We onderscheiden twee types:
    1. Duo-wonen = algemene vorm waarbij een eigenaar een deel van de woning inricht
        en verhuurt als woonst voor een andere persoon of gezin.
    2. Kangoeroewonen = formule met wederzijdse solidariteit tussen een ouder
        persoon of echtpaar enerzijds en een jong(er) persoon of gezin anderzijds.
        [duplex-wonen]
  • Gestippeld wonen & Harmonica wonen = initiatieven waarbij huizen in een straat of appartementen in een gebouw stukje voor stukje betrokken worden in een gemeenschappelijk project. Als de woonsten verspreid zijn in het gebouw of in de straat, spreekt men van 'Gestippeld wonen', bij aaneensluitende woonsten spreekt men van 'Harmonicawonen'. 
Hieronder vindt u een overzicht van bovenstaande types wonen volgens Samenhuizen vzw:




Bron: www.samenhuizen.be

        woensdag 7 december 2011

        Tafelen in Genk: utopie of realiteit?

        Onderstaand filmpje getuigt hoe Genk zijn inwoners rond de tafel tracht te krijgen. In het Mijnmuseum ‘Mijndepot’ in Waterschei konden Genkenaren zich immers ter ere van St.-Barbara (04/12) inschrijven op een mijnwerkersmenu. Er kwamen maar liefst 300 eters opdagen. In vergelijking met onze eerdere bevindingen over activiteiten in Genk is dit een heus succes. Blijkbaar is het ‘samen tafelen’ dan toch nog iets dat mensen aanspreekt? Een reden te meer om verder te werken rond dit topic. In wat volgt ga ik – op aanraden van Jan – op zoek naar de geschiedenis van de ‘tafel’, het ‘tafelen’, vormen van tafelen alsook het belang van tafels in pedagogische settings. 

        Reflections on a table

        Ik mijmer nog even verder over mijn vorig blog waarin ik beschreef hoe ik met zeven onbekende mensen ‘tafelde’, hoe ik verhalen uitwisselde in een taal die niet de mijne was en hoe het hele tafelgebeuren me wist te raken. Wat leidde ertoe dat iedereen aan de tafel bereid was het gesprek aan te gaan? Hoe kwam het dat ik me op zo’n korte tijd zo thuis voelde bij deze mensen, ondank het feit dat ze zo vreemd voor me waren en dat we niet dezelfde taal deelden? Van waar kwam in hemelsnaam die plotse onderlinge solidariteit?

        Enige feedback van Jan deed me inzien hoezeer we die avond in een positie van ‘nood’ verkeerden. We waren immers allemaal vreemden voor elkaar, en dus in zekere zin ook zwak. Desondanks was er een ‘wil tot spreken’, een wil die los stond van het delen van dezelfde taal. Hoe kwam dit toch? De genodigden vertelden me hoe ze zich nogal sociaal geïsoleerd voelen in België, hoe moeilijk het voor hen wel niet is om contacten te leggen met mensen van hier. Misschien was dat dan wel de reden waarom ze direct het contact aangingen met ons?

        De Indische vrouw vertelde me hoe lastig ze het gehad had toen ze hier pas toekwam. Er was niemand om haar op te vangen, niemand om haar te zeggen waar ze een gynaecoloog kon vinden voor haar baby, niemand om haar iets van de Belgische cultuur bij te brengen. Gelukkig ontmoette zij de Armeense vrouw – die hier net iets langer was en toevallig net ook een baby gekregen had – die haar vertelde hoe het systeem van sociale zekerheid in elkaar zit, waar er een ziekenhuis in de buurt te vinden is, enzovoort.

        Ik ben ervan overtuigd dat de positie van ‘nood’ een zekere rol zal gespeeld hebben die avond. Maar dat kan toch niet het enige zijn? Op het einde van de avond voelde ik me immers helemaal niet meer zo vreemd voor deze anderen, en toch kon ik niet stoppen met praten. Misschien was het juist dat ‘vreemde’ dat me wist te boeien? Misschien werd ik aangetrokken door hun verhalen omdat ze een nieuwe wereld voor me openden, een wereld waar ik eerder geen toegang toe had? Ik had immers nog nooit Armeens voedsel gegeten, was amper in contact gekomen met (post)doctorandi, wist helemaal niets van de Armeense geschiedenis, enz.

        En wat dan met die tafel? Welke rol speelde de tafel zaterdagavond? Jan stuurde me volgend interessant citaat van Hanne Arendt door: To live together in the world means essentially that a world of things is between those who have it in common, as a table is located between those who sit around it; the world, like every in-between, relates and separates men at the same time”.  De tafel wordt hier met andere woorden gezien als een in-between, als iets dat mensen tegelijk scheidt en verbindt. Was het dan die tafel – in combinatie met het eten – die ervoor zorgde dat ik me verbonden voelde met de anderen die er rond zaten?

        Dezelfde gedachte vind ik bij Richard Aczel en zijn collega’s terug. Hij zegt: “The table occupies a special place among things. It is a born negotiator: It draws us together; it holds us apart. Alone at a table, I am never entirely alone. There is always the potential of company, the breaking of bread with another. We come to the table to talk, to play, to confess, to share food, needs, ideas. We pass things to one another around the table, leave money on it, hold hands across it, spread our newspaper over it. Imagine there were no table between us; how could we begin to talk to each other? And we also get up from the table and leave. From different sides. As we walk away from the table, it still orients the paths we take.”

        Aan tafel ben je nooit alleen. Ondanks het feit dat de tafel je scheidt van anderen – er zit namelijk letterlijk iets tussen jou en de ander – biedt de tafel ook een gevoel van geborgenheid, van verbondenheid met iets of iemand anders en oriënteert de tafel je in een welbepaalde richting. Het doet me denken aan zaterdagavond. Alvorens we aan tafel gingen kwamen de gesprekken moeilijk op gang. Eenmaal geïnstalleerd aan tafel, liepen de gesprekken veel vlotter, ging ons spreken een welbepaalde‘richting’ uit.

        Aczel vult verder aan: “The things on a table are also sheaves of relations, gatherings of concern and partings of ways. As we pick them up, push them to one another, move them around the table, they weave together the intricate crossings of our gathering at the table. They collect and release our stories as they move towards us, away from us and toward others.” In zekere zin speelt dus niet alleen de tafel een rol, maar zijn ook die dingen die op de tafel staan, en onderling doorgegeven worden, van belang. Zij bepalen immers mede de relaties tussen de tafelgenoten.

        zondag 27 november 2011

        Eten en drinken als ingrediënten voor samenhorigheid

        Mijn vriend ‘thesist’ sinds een aantal maanden op Imec, een onderzoekscentrum dat gespecialiseerd is op vlak van nano-elektronica. Aangezien Imec samenwerkt met meer dan 100 universiteiten en onderzoekscentra van over heel de wereld, zijn de meeste van zijn collega’s afkomstig uit het buitenland en vinden de conversaties er voornamelijk in het Engels plaats. Gisteravond werd ik bij één van zijn collega’s uit Armenië uitgenodigd ter ere van haar verjaardag. Aangezien ik er niemand zou kennen, wist ik niet goed aan wat ik ervan moest verwachten. Zou ik met deze mensen wel in gesprek kunnen gaan? Of zou de taalbarrière me parten spelen? 

        Eenmaal daar aangekomen bleken wij niet de enige genodigden te zijn. Er was nog een onderzoekster uit India, een Zweedse masterstudente van Armeense origine die op Erasmus is in België, een Masterstudent uit Armenië en een onderzoeker uit Frankrijk. Ondanks het feit dat we ons moesten behelpen met – voor de een al wat gebrekkiger dan voor de ander – Engels, vonden er doorheen de avond uitvoerige gesprekken plaats, gaande van de genocide in Armenië, over muziekgroepen, streekgerechten, sociale zekerheid in Zweden en België, tot de zwangerschap van de Indische vrouw. Tijdens de gesprekken konden we genieten van een typisch (en overvloedige) Armeense maaltijd en werden er nog kosten noch moeite gespaard om ons iets te drinken aan te bieden. 

        Er werd heel wat afgelachen en ik voelde me op geen enkel moment ongemakkelijk. Het viel me op hoe ik me plots heel erg verbonden voelde met deze mensen, ondanks het feit dat ik ze nooit eerder had ontmoet en dat hun moedertaal me volledig onbekend was. Hoe viel dat te verklaren? Er werd niet overvloedig gedronken, dus aan de wijn kon het al niet liggen. Had het misschien iets te maken met het ‘samen tafelen’? Het doel van mijn ontwerp in Genk is een verbondenheid tot stand brengen tussen mensen van verschillende origine en met verschillende interesses. Indien dit tafelen een rol speelde gisteravond, misschien moet ik hier dan ook op gaan inzetten in Genk?

        Via internet stuitte ik op de column ‘Aan tafel kinderen’ van Jan Albert Hootsen die heel mooi de link tussen het ‘samen-eten’ en het gevoel van solidariteit omschrijft.  Hij beschrijft het tafelgebeuren op een prachtige manier: “Het is dat samen eten. Die onderlinge verbondenheid van de eters, het besef dat je samen aan tafel zit vanwege een bijzondere band. Samen eten is veel intiemer dan we soms misschien denken. Samen eten is veel meer dan liflafjes proeven of je honger schrokkend stillen. Samen eten is een sussend ritueel, waar zelfs de diepste geschillen worden gekalmeerd door een plotselinge, wonderlijke solidariteit.” 

        Het verhaal van Hootsen doet me denken aan ‘The Cosmopolitical Proposal’ van Isabelle Stengers. Blijkbaar werkt de tafel als een soort van idioot die ons doet vertragen en die op die manier een ruimte voor aarzeling inlast. De tafel dwingt ons ertoe om ons open te stellen voor anderen, om verder te kijken dan datgene wat we op het eerste gezicht verwachten. Het maakt ons mogelijk om naar het verhaal van de andere te luisteren, om barrières te doorbreken en om onze eigen vooronderstellingen aan de kant te schuiven. Zo herinnerden de Armeniërs ons bijvoorbeeld aan de vele kansen die België ons biedt op vlak van leven en studeren, kansen waar we zelf al lang niet meer bij stilstaan. Samen tafelen  als nieuwe boodschap van solidariteit? 

        [http://www.nieuwwij.nl/index.php?pageID=13&messageID=1747]

        vrijdag 25 november 2011

        Verwarring [systeemtheorie]

        Al te vaak wordt het werken in groepen als evidentie aangenomen. Maar is het eigenlijk wel mogelijk om met groepen te werken? Dit trachtte Luc van den Berge ons op donderdag 24 november bij te brengen in een seminarie over ‘participatie, onderzoek en werken in groep’. Meerbepaald probeerde hij gedurende drie uur onze automatismen in het werken met groepen op te schorten om vervolgens handvaten aan te reiken voor de praktijk. Aangezien mijn ontwerp in Genk niet los zal staan van bepaalde groepen mensen, schrijf ik hier enkele kernimpressies van dit seminarie neer, in de hoop dat deze me van nut kunnen zijn bij mijn verdere ontwerp.   

        In het denken over groepen moet de systeemtheorie steeds in het achterhoofd gehouden worden. Deze theorie gaat er van uit dat de mens pas begrepen kan worden binnen de context van zijn relaties. Mensen hebben immers geen vaststaand karakter, maar gaan zich in een andere context telkens anders gaan gedragen. “Mensen hebben een groot gedragsrepertoire en schakelen steeds per situatie over op ander gedrag. Ze zijn anders op het werk dan thuis, anders bij hun moeder dan bij hun schoonmoeder en ook weer anders bij hun sportclub dan met hun kinderen. Mensen zijn dus erg contextgevoelig.”  [www.systeemtheorie.nl]

        Het systeemdenken maakt het mogelijk om op verschillende niveaus een ingang te vinden: het suprasysteem, het systeem en het subsysteem. Bij het spreken over groepen vindt er echter vaak een verwarring plaats tussen deze verschillende niveaus. Een voorbeeld hiervan is de uitspraak: “Dit team wil geen verandering”. De wil, die hier beschouwd wordt als een eigenschap van het systeem, moet eigenlijk gezien worden als een persoonseigenschap, en dus als onderdeel van het subsysteem. Een team – als abstractie – heeft immers nooit een wil, is nooit aanspreekbaar. De verwarring van niveaus leidt er dan ook toe dat de bestaande problemen binnen het team niet opgelost geraken.

        Een tweede mogelijke verwarring vinden we terug in de volgende uitspraak: “Dit meisje pest de anderen (ze is een pestkop)”. Deze zin heeft geen oog voor het systeemniveau, maar focust zich louter op het individu [subsysteem]. Eigenlijk zou men moeten zeggen: “dit systeem zit zo en zo en zo in elkaar, waardoor telkens weer hetzelfde kind pest”. Pesten wordt vaak beschouwd als een individueel kenmerk, maar wat gebeurt er verder nog binnen de context? Wat is de invloed van de groep(sdruk)? Uit een dergelijke analyse kan blijken dat het systeem geen ruimte laat voor het subsysteem. In dat geval moet het systeem aangesproken worden.

        Ten derde is het belangrijk op te merken dat een groep meer is dan de fysiek aanwezige mensen. In elke groep spelen anderen een rol. Denk maar aan de regeringsonderhandelingen die vastlopen omwille van de vele invloeden van buitenaf (vb. de vakbonden). Of een instelling voor jonge druggebruikers waaraan gevraagd wordt: “Met wie gebruik je”?. Heel vaak zal deze vraag onbeantwoord blijven. Dit heeft niets met motivatie te zien, maar wel met het feit dat deze jongeren vaak tot bepaalde scènes behoren. Eén van de regels van zo’n scène is dat je niet blootgeeft met wie je gebruikt. In een setting heb je bijgevolg vaak veel meer individuen dan je zou denken.

        Tot slot heb je binnen een systeem vaak systeemregels of omgangsvormen. Dit zijn impliciete, onuitgesproken regels/gewoonten die onzichtbaar zijn voor wie niet tot het systeem behoort. Ze bieden voorspelbaarheid, maar verhinderen ook soms verandering. Zo wees Luc ons er bijvoorbeeld op dat we na de pauze terug op onze zelfde plaats gingen zitten. Blijkbaar is dit binnen het systeem van onze klas een onuitgesproken gewoonte. Het kan niet anders dan dat deze systeemregels ook terug te vinden zijn in Genk. Mensen zijn nu eenmaal gewoontedieren. Indien ik dus enige verandering zal willen teweegbrengen via mijn ontwerp, zal ik dit in mijn achterhoofd moeten houden.  

        maandag 21 november 2011

        Samenhuizen = HOT! [deel 2]

        2.  Waarom?
        In een studie van de vzw Samenhuizen geven Jonckheere en zijn collega’s (2010) een overzicht van de voordelen waar mensen die gemeenschappelijk wonen van profiteren. De voornaamste reden om te gaan samenhuizen is van economische aard. Samenwoners profiteren immers van een aantal schaalvoordelen: ieder huishouden vereist een basis aan infrastructuur, ongeacht het aantal inwoners. Bovendien ligt de huurprijs tot 38% lager dan wanneer je op je eentje huurt [onderzoek OIVO]. Opmerkelijk is dat zij die doorgaans niet kapitaalkrachtig zijn (studenten & jongwerkenden) en zij die nog niet meteen van plan zijn zich te settelen aan gedeeld huren doen.

        De toenemende belangstelling voor samenhuizen kunnen we bovendien wijten aan de gezelligheid, de samenhorigheid, het contact, de solidariteit en de steun die je in deze woonvormen gemakkelijk kan vinden.  Twee op de vijf uit de OIVO-studie geeft aan dat het ook een aangename manier is om nieuwe mensen te leren kennen en interesses te delen. Eén op drie prijst de originaliteit van de levenswijze, die ze aantrekkelijk noemen.

        Een derde motivatie voor samenhuizen heeft te maken met de lagere tijdsdruk die ontstaat als gevolg van een efficiënte verdeling van de taken binnen de woonvorm. Wie gemeenschappelijk woont, kan een beurtrol voor het koken inlassen of kan rekenen op kinderopvang door de anderen.Bovendien brengt ieder zijn kennis en vaardigheden mee die gedeeld worden met de  medebewoners. Ook ecologisch is samenwonen voordeliger dankzij een efficiënter energiegebruik. Voor de woningmarkt betekent samenwonen dat er minder behoefte is aan (veel ruimte voor) woningen.


        BRONNEN:
        http://www.oivo-crioc.org/files/nl/5301nl.pdf

        “First we shape our buildings, then they shape us” [Churchill]

        Architectuur speelt een grote rol in het ontwikkelen van de sociale relaties tussen de bewoners. Vooral bij groepswonen is het ontwerp van de architect van uitermate belang, aangezien het slagen van het project afhangt van het ontwikkelen van een goede sociale structuur. Frazer Hay zegt het als volgt: “There is a fine balance between architecture and humanity. The buildings we design directly influence the way in which we live our lives, they direct and manipulate the way in which we engage with our social values, educational, commercial and spiritual needs, even our appreciation of the arts.” 


        vrijdag 18 november 2011

        Genk als een vorm van spreken [Nancy Van Sieleghem]

        Wat betekent het om zelf een stem te hebben? En wat betekent het voor anderen om een stem te hebben? Net zoals Isabelle Stengers de idioot een stem tracht te geven, gaat Nancy Van Sieleghem op zoek naar manieren om recht te doen aan de meerstemmigheid van de pedagogische actualiteit. Hiervoor vertrekt ze van ‘Le fils’, een film van de gebroeders Dardenne over een leerkracht die les geeft aan een jongen die later de moordenaar van zijn zoon blijkt te zijn. ‘Ik wil alleen maar met je spreken’. Dit is het antwoord dat Olivier in de film geeft op Francis’s vraag of Olivier zijn mentor wil worden. Deze woorden vormen tevens het vertrekpunt van Nancy Van Sieleghem haar vertoog.

        In haar verhandeling plaatst Nancy Van Sieleghem twee vormen van spreken lijnrecht tegenover elkaar. Eerst beschrijft ze een aantal vormen van spreken die erg functionalistisch gedacht zijn, vormen waarbij er gesproken wordt met een bepaald doel in het achterhoofd. Een voorbeeld hiervan is het bemiddelend spreken, een spreken dat het vermogen om voor zichzelf op te komen wil versterken. Spreken wordt hier dus als een middel gezien, als een manier om iets ‘af te sluiten’. Denk maar aan het uitpraten van een ruzie opdat men hierna terug verder kan of het verhelderen van  een vraagstuk opdat men het zou kunnen oplossen.

        Verder werkt ze het soort van spreken uit waarvan ze denkt dat het zich in de film afspeelt, namelijk een spreken dat recht doet aan de situatie. Deze vorm van spreken gaat uit van een passie en nieuwsgierigheid voor datgene wat zich voordoet en de bereidheid erop in te gaan of er zich mee in te laten, zonder vooraf te weten waarop.  In die zin gaat het om een spreken vanuit de bereidheid zich te laten verwonderen door wat er zich hier en nu voordoet.  Vanwege de spreker is er een bereidheid om zich kwetsbaar op te stellen, waardoor hij/zij het risico loopt om zichzelf op het spel te zetten. In tegenstelling tot het functionalistisch spreken, gaat het hier om een vorm van spreken die een begin van iets aankondigt, die iets ‘opent’.

        In ‘Le fils’ beantwoordt Olivier de vraag van Francis niet op de gebruikelijke manier. Hij doorloopt bijvoorbeeld niet de pro’s en contra’s, stelt geen condities of voorwaarden waaraan Francis dient te beantwoorden en gaat niet over tot het opstellen van een contract waarin de belangen van beide partijen transparant en vastgelegd worden [functionalistisch spreken]. Oliviers spreken getuigt eerder van een sprakeloosheid. Hij wordt gegrepen door iets. Het is alsof de woorden waarover hij beschikt, niet langer betekenis hebben, en op het punt staan opnieuw betekenis te krijgen. In die zin kunnen we de uitspraak van Olivier begrijpen als de aankondiging van een nieuw begin, als een uitnodiging om een ander spreken te denken.

        Ook wat Genk betreft hebben we ons laten verwonderen door wat er zich in de stad afspeelde. Vanuit enige nieuwsgierigheid zijn we op pad gegaan en hebben we ons - zonder enige oriëntatie - blootgesteld aan de verhalen die we op onze weg tegenkwamen. Doorheen de gesprekken met medestudenten en met Jan & Wim ging het er niet om kennis & inzichten te verwerven, noch om het vellen van oordelen of het geven van verklaringen met betrekking tot ons ontwerp. Wel werd datgene wat aanvankelijk gezegd en gedacht werd over Genk op het spel gezet, waardoor we vervreemden van datgene wat we voorheen als vanzelfsprekend ervoeren. 

        maandag 14 november 2011

        De mens als sociaal wezen

        Steeds vaker hoor je, zowel in de wandelgangen als in de media dat mensen niet meer buiten komen, dat ze geen initiatief meer nemen, dat ze elkaar niet meer vertrouwen, enzovoort. Maar wat is er effectief van aan? Onderstaand artikel uit de morgen van 3/3/2011 levert het bewijs dat we deze geruchten met een korreltje zout moeten nemen. Blijkbaar zijn mensen toch nog meer sociale wezens dan we zouden denken? En waarom zou dat in Genk anders zijn dan in de rest van Vlaanderen? Misschien moeten we in Genk dan maar inzetten op deze nieuwe soorten samenlevingsvormen? 


        zondag 13 november 2011

        Een sprong in het duister

        Hoe zeer ik ook probeer om alle mogelijkheden open te houden, ik blijf in mijn blogberichten steeds tot de vaststelling komen dat de problemen in Genk zich situeren op het niveau van het ‘samen leven/wonen’. Op de een of andere manier wordt er in Genk niet meer samen geleefd, maar  is er als het ware een afstand tussen de burgers ontstaan waardoor ontmoeting onmogelijk gemaakt wordt. Hoe kunnen we deze kloof overbruggen? Hoe kunnen we de ‘samen-leving’ anders gaan organiseren opdat mensen de sprong naar de ander terug durven maken?


        Antwerpen Europese Jongerenhoofdstad 2011

        “Antwerpen is een fantastische plek voor kinderen en jongeren om op te groeien, te wonen, te studeren, te werken, te spelen, kortom, te zijn. Daarom bekroonde de Europese jongerenraad onze stad, na Turijn en Rotterdam, als de derde Jongerenhoofdstad van Europa. Antwerpen is Europese Jongerenhoofdstad 2011.”  [http://www.aeyc2011.be/nl/over-aeyc2011]

        Hoewel het in Genk niet lukt, blijken de inspanningen van de Stad Antwerpen om haar jongeren op straat te brengen toch meer verdienstelijk te zijn. Deze conclusie kon ik vorig weekend in de praktijk aanschouwen toen ik tijdens een wandeling door Antwerpen op tal van plaatsen jongeren op straat zag komen. Ik maakte er onderstaande beelden van. Hoe komt het dat Antwerpen hier wel in slaagt, terwijl de mensen in Genk enkel nog buitenkomen wanneer het echt moet?  

        Wanneer ik kijk naar de bevolkingsgegevens van deze twee steden, valt het me op hoe weinig dichtbevolkt Genk is in vergelijking met Antwerpen (737 inwoners/km² tegenover 2364 inwoners/km²). Is het de ruimtelijke afstand tussen de inwoners die ervoor zorgt dat mensen ook figuurlijk op afstand blijven en nog amper tot ontmoetingen komen? En zoja, zijn er manieren om die afstand te overbruggen? Hoe kunnen we de Genkenaren terug een beetje dichter bij elkaar brengen en zo de ontmoeting terug levend maken?

        woensdag 9 november 2011

        Hoe de idioot me opnieuw op weg zet [The Cosmopolitical Proposal]

        In onze samenleving heerst een klimaat waarin de noodzaak van interventie centraal staat. De situatie in Genk mobiliseert ons, net zoals heel wat andere urgente problemen die om antwoorden/oplossingen vragen.  Isabelle Stengers roept ons op om deze beweging stop te zetten en schuift in het kader daarvan een kosmopolitiek voorstel naar voren. Binnen dit voorstel beklemtoont ze de aanwezigheid van de idioot, diegene die altijd de andere doet vertragen en die weerstand biedt aan de gewone manier waarop we situaties die ons mobiliseren, voorstellen. 

        De idioot is diegene die mompelt dat er iets belangrijker is, iets waar we op het eerste gezicht geen oog voor hebben, iets waartoe we meer nodig hebben dan goede wil en respect. In die zin spoort hij ons net zoals The Wire aan om verder te kijken dan datgene wat direct zichtbaar is  [beyond the obvious] en last hij hiertoe een ruimte voor aarzeling in. Deze onderbreking vertraagt onze manier van denken en argumenteren [slow down reason] en maakt zo heel even een opening mogelijk waardoor een stem toegevoegd kan worden  aan het verhaal. 

        Het lezen van de tekst van Isabelle Stengers zet me aan het denken. Enkel door de stad te laten spreken [= art of magic] zullen we pas tot een oplossing kunnen komen voor de problemen in Genk. Willen we de rijkdom aan stemmen laten spreken, dan moeten we niet dadelijk tot interventie overgaan, maar moeten we juist onszelf de nodige tijd geven om te denken en te argumenteren en moeten we op zoek naar ‘something more important’. Hierbij is het van belang dat we het gemompel van de idioot efficiënter maken. We moeten de stad laten spreken. Of anders gezegd: we moeten denken over Genk in de aanwezigheid van Genk.

        dinsdag 8 november 2011

        Voor(r)uit! [18 oktober]


        Willen we een volkshogeschool oprichten in Genk, dan moeten we eerst weten wat het begrip ‘volkshuis’ precies inhoudt.  Daarom gingen we op dinsdag 18 oktober een bezoek brengen aan De Vooruit in Gent. Via dit immense volkshuis - opgericht als visitekaartje van de Gentse socialistische beweging in het kader van de wereldtentoonstelling van 1913 – werd er gestreefd naar de intellectuele en morele verheffing van arbeidersfamilies. Wegens financiële beslommeringen kon het gebouw echter pas na WO I officieel geopend worden – een zwaar fiasco voor de beweging. 



        De wereldwijde economische malaise na WOI was niet bevorderend voor de verdere groei van het volkshuis. De bank van de arbeid, die deels instond voor de financiering van het gebouw, ging failliet, waardoor er niet langer geld voorhanden was om het gebouw te onderhouden. Zelf de oprichting van een warenhuis binnen het gebouw kon de Vooruit niet helpen van de verloedering. Een aannemer in Gent opperde zelf de idee om het gebouw af te breken. Gelukkig drongen een aantal studenten het gebouw binnen om de drastische toestand van het gebouw te fotograferen en (inter)nationaal te verspreiden - met de nodige reacties tot gevolg. 


        Het gebouw werd gerenoveerd en in 1983 erkend als monument. Hoewel dit een grote stap voorwaarts betekende – het gebouw kon zo verder gerestaureerd worden met behulp van subsidies van Monumentenzorg – was er ook een keerzijde aan deze evolutie, aangezien Monumentenzorg er vanaf dan immers heel wat in de pap te brokken had. Een paar jaar later werd De Vooruit volledig gedepolitiseerd, waardoor een lidkaart van de socialistische partij niet langer noodzakelijk was om toegang te krijgen tot activiteiten.  


        In De Vooruit kan je vandaag terecht voor activiteiten van allerhande aard: fuiven, concerten, culturele manifestaties, debatten, en noem zo maar op. Met z’n 2000 activiteiten en 275.000 bezoekers per jaar blijft dit kunstencentrum dan ook het pronkstuk van de stad Gent. Tot op de dag van vandaag besteedt het huis bijzondere zorg aan onderhoud, renovatie en aanpassing aan nieuwe noden met betrekking tot veiligheid & milieu, podiumtechnische infrastructuur, publiekscomfort, ICT en nieuwe media.  [http://vooruit.be/nl/gebouw/de-nieuwe-eeuw]

        Via het Instituut voor sociale geschiedenis [Amsab] – een door de Vlaamse regering erkende landelijke culturele archiefinstelling – kregen we eerder die dag ook inkijk in het beeldarchief  van de Vooruit en andere volkshuizen in Vlaanderen. Ik realiseerde me plots hoe sterk deze volkshuizen de laatste decennia niet moeten aanwezig geweest zijn binnen het Vlaamse landschap. Wat was er dan zo bijzonder aan deze huizen? En waarom is dit fenomeen vandaag de dag veel minder verspreid in Vlaanderen? Is een opmars van deze volkshuizen opnieuw mogelijk?

        donderdag 20 oktober 2011

        Radicaal?

        Na een gesprek met Jan en Wim zondagavond, werd het voor mij duidelijk dat ik me tot nu toe veel te veel gefocust had op een ontwerp dat praktisch haalbaar is. Hierdoor verviel ik in de oude denkpatronen, die tot op de dag van vandaag niet tot een oplossing voor de stad Genk geleid hebben. Daarom gooi ik het vandaag over een heel andere boeg. Hoe moeilijk het ook voor me is, ik schuif voor even de ‘rationele ik’ aan de kant en ga op zoek naar meer radicale maatregelen om zo een antwoord te kunnen bieden op de problemen in Genk. 

        Een eerste maatregel – die me weliswaar het minst realistisch lijkt – focust zich op de vele rijke villawijken die in Genk gevestigd zijn. Om het sociaal contact te bevorderen tussen de inwoners van deze wijken, heb ik het idee om alle omheiningen, muren of hagen tussen de verschillende huizen te verwijderen. Daarnaast zou ik mensen verplichten om hun huizen in een cirkel te bouwen, rond een gemeenschappelijke tuin (eventueel met speelplein voor de kinderen). Mogelijks kan dit leiden tot grotere ontmoetingskansen tussen buren en kan dit de drempel tot sociaal contact in de buurt verlagen.

        Een tweede voorstel heeft betrekking tot de verschillende jeugdhuizen en zorgcentra in de stad Genk. Aangezien deze instellingen momenteel de stad overrompelen, zou ik de geldkraan toedraaien voor een aantal onder hen. Het geld dat hierdoor uitgespaard wordt, kan dan geïnvesteerd worden in de inwoners van Genk. Dankzij dit geld zouden zij immers verplicht kunnen worden om slechts halve dagen te gaan werken, waardoor ze de andere halve dagen tijd hebben om die dingen te doen waar ze zelf zin in hebben. Zal dit experiment ertoe leiden dat mensen meer op straat komen en in contact treden met elkaar?  

        Een derde maatregel is de idee van ‘cohousing’, “een moderne woonvorm, waarbij jong en oud samen leven en als buren elkaar kennen. Naast een eigen privé woning en tuin zijn er uitgebreide gemeenschappelijke voorzieningen, zoals een grote tuin, een wijkplein, een speelveld voor kinderen en een paviljoen met o.a. een goed uitgeruste keuken en een wasruimte. Er blijft een groot respect voor de individuele privacy en tegelijk wordt er ruimte gemaakt voor spontane ontmoetingen.” Deze woonvorm is aan een steile opmars bezig in Leuven, Antwerpen, Gent en Louvain-la-neuve. Kan deze maatregel ook in Genk het gemeenschapsgevoel terug doen opflakkeren? [http://www.cohousingplatform.be/]

        Veel vragen, weinig antwoorden [zondag 16 oktober]

        Na een week Genk is het voor mij duidelijk geworden dat er iets schort aan de aantrekkelijkheid van de stad Genk. Ondanks de vele projecten voor educatieve steun, werkgelegenheids- & opleidingsprojecten en een groot aantal animatie-initiatieven voor de wijken (jeugdhuis, buurthuis, enz.) blijken de inwoners weg te trekken uit de stad en komt er amper nog volk op straat. Blijkbaar kunnen de vele initiatieven de Genkenaren niet bekoren en is er bijgevolg nood aan iets anders om de inwoners uit hun huizen te krijgen. Iets vernieuwend. Maar wat?

        Naar mijn mening ligt de kern van het probleem bij een gebrek aan contact tussen de Genkenaren. De mens is van nature een sociaal wezen, maar toch hebben de inwoners van Genk het blijkbaar moeilijk om het gesprek met elkaar aan te gaan. Kunnen we dit toeschrijven aan de gebrekkige ruimtelijke structurering van de stad waardoor mensen elkaar amper tegen het lijf lopen? Of moeten we de oorzaak hiervan eerder zoeken bij de digitalisering, waardoor enkel nog het virtuele contact bloeit en er een kloof tussen de verschillende generaties van Genk ontstaat?

        Wat het antwoord op bovenstaande vragen ook mag zijn, er moet dringend iets veranderen. De Genkenaren moeten kansen krijgen om elkaar te ontmoeten en het gesprek met de andere aan te gaan. Enkel op die manier kunnen ze immers buiten zichzelf treden en de anonimiteit doorbreken. Ontmoetingskansen kunnen echter pas werken wanneer deze gedragen worden door de burgers zelf. Daarom vind ik het heel belangrijk dat het ontwerp dat ik zal maken een bottom-upbenadering kent en uitgaat van het initiatief van de burgers. Maar hoe kunnen we de Genkse burgers hiertoe motiveren?

        Kunnen we mogelijks gebruik maken van de virtuele wereld om reëel contact te verhogen? Of zal op die manier de kloof alleen nog maar groter worden? Moeten we misschien een mentaliteitswijziging teweegbrengen bij de Genkenaren? En hoe dan? Heel veel vragen, maar weinig antwoorden. Ik ben er nog niet aan uit wat de oplossing is voor de problemen die zich in Genk stellen. Ik hoop dan ook dat de komende ervaringen binnen het LABO me op weg zullen zetten om m’n ontwerp te vervolledigen.